Gelet op het belang van de OZB bij de financiering van gemeenten is het van belang dat gemeenteraden voldoende ruimte hebben om lokaal tot verantwoorde keuzes te komen. Bij de verdeling van taken en verantwoordelijkheden past het niet dat het Rijk hier hindernissen opwerpt.
Dat een stijging van OZB-tarieven ook meteen een lastenstijging inhoudt, is een wijdverbreid misverstand. Dit misverstand ontstaat doordat men alleen naar de tariefsontwikkeling kijkt. Maar de hoogte van de OZB wordt niet alleen door het tarief maar ook door de WOZ-waarde bepaald.
Voor groepen belastingplichtigen of voor individuele belastingplichtigen kan een tariefsstijging zelfs een lastenverlichting betekenen. Waar voor de burger geldt dat WOZ-waarde x tarief het belastingbedrag geeft, geldt iets vergelijkbaars voor gemeenten: totaal WOZ-waarden x tarief = belastingopbrengst.
Gemeenten heffen al sinds lange tijd belastingen op onroerende zaken binnen de gemeentegrenzen. Dit wordt gedaan om een deel van de taken van gemeenten te bekostigen. De OZB kan worden geheven op basis van artikel 220 van de gemeentewet.
De onroerende-zaakbelastingen (beter bekend als OZB) zijn de grootste eigen inkomstenbron van gemeenten en bedragen gemiddeld zo’n 8 procent van de totale gemeentelijke inkomsten. De OZB brengt jaarlijks meer dan 3 miljard euro op. Iedere gemeente in Nederland heft OZB.
De macronorm OZB voor 2013 is 3%. In de juni-circulaire is echter aangekondigd dat de overschrijding van de macronorm in 2012 wordt verrekend met de macronorm van 2013. Die overschrijding bedroeg circa 7,7 miljoen. De reële macronorm, rekening houdend met de vermindering bedraagt voor 2013 dan 2,76%.
Meer informatie