Raadsvergoeding

 


Raadsvergoeding

 

Omdat aan het raadslidmaatschap de gedachte ten grondslag ligt dat het als een nevenfunctie moet worden beschouwd, wordt gesproken over 'vergoeding voor de werkzaamheden'.

Vanaf de dag van de beëdiging ontvangt een raadslid de raadsvergoeding. Deze hoogte van vergoeding is gekoppeld aan de inwonerklasse van de gemeente. Bepalend voor de jaarlijkse herziening is de consumentenprijsindex geldende voor de maand september van het Centraal Bureau voor de Statistiek.
Een raadslid kan niet afzien van de vergoeding. De gemeente is verplicht deze te verstrekken. De hoogte van de vergoeding moet bij verordening worden vastgesteld, zij het dat de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties jaarlijks het maximum bepaalt en dat de gemeenteraad binnen de grenzen die in artikel 2 t/m 4 van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden zijn bepaald, daarvan kan afwijken. In de voorbeeldverordening Rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden is een modelbepaling opgenomen.

Met ingang van 23 december 2009 is de indeling in gemeenteklassen voor de raads- en onkostenvergoeding gewijzigd (Stb. 2009, 561). Als gevolg daarvan zijn deze vergoedingen met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2009 gewijzigd. Zie voor de gewijzigde vergoedingen de berichtgeving op vng.nl.

Zie voor de vergoeding 2012:

  • Circulaire van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (30 november 2011)

    Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zendt regelmatig circulaires aan de gemeenten over belangrijke ontwikkelingen op het vlak van de rechtspositie van politieke ambtsdragers. Dat is in ieder geval bij wijzigingen van de bezoldiging of andere vergoedingen. Eind november/begin december verschijnt de jaarlijkse circulaire over de wijziging van (onkosten)vergoedingen die steeds per 1 januari worden aangepast.

Alle raadsleden dezelfde vergoedingen
Er kan geen onderscheid gemaakt worden tussen raadsleden. Zo is het bijvoorbeeld niet mogelijk aan raadsleden die bijna nooit verschijnen in commissie- en/of raadsvergaderingen in het geheel geen vergoeding toe te kennen. De gemeenteraad kan echter wel van de maximumbedragen naar beneden afwijken, maar dat geldt dan voor alle raadsleden. De gemeente(raad) is vervolgens vrij om het bedrag dat door de afwijking naar beneden vrijvalt, in de vorm van presentiegeld te vergoeden of eventueel secundaire voorzieningen mee te bekostigen. In het Rechtspositiebesluit is bepaald welke afwijkingen mogelijk zijn.

Deelraadsleden
Door een wijziging van artikel 95 van de Gemeentewet (Stb. 2005, 534) is de positie van leden van het dagelijks bestuur van een deelgemeente met betrekking tot de bezoldiging en van leden van een deelraad ten aanzien van de raadsvergoeding en de onkostenvergoeding gelijkgesteld aan die van wethouders respectievelijk raadsleden. In aansluiting daarop zijn ook het Rechtspositiebesluit wethouders (artikel 2) en het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden (artikel 1, onderdeel f, en artikel 16 (vervallen)) aangepast (Stb. 2006, 660).

Zij ontvangen dezelfde vergoedingen als raadsleden in een gemeentegrootte vergelijkbaar met het inwonertal van de deelgemeente.
In de Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden wordt ook bepaald ook op welke voorzieningen de dagelijks-bestuursleden en deelraadsleden aanspraak hebben.

 


 

Raadsvergoeding SP-leden

Gemeenten zijn op grond van de Gemeentewet verplicht SP-leden een wedde en onkostenvergoeding te geven, ook als deze vergoeding gedeeltelijk wordt overgedragen aan het partijbureau. Wij krijgen regelmatig vragen over de manier waarop SP-leden met hun vergoeding als volksvertegenwoordiger omgaan.

Het gaat erom of een lid van de SP zijn vergoeding of wedde kan overdragen aan het partijbureau van de SP, die vervolgens een deel terugstort en een deel van het bedrag gebruikt voor partijactiviteiten.

Voor de gemeente is het op grond van de Kieswet relevant dat een inwoner van de gemeente is gekozen tot lid van de gemeenteraad dan wel dat op grond van de Gemeentewet een burger is benoemd tot wethouder.

Recht op vergoeding

Op grond van de Gemeentewet heeft betrokkene recht op een vergoeding voor zijn werkzaamheden en een onkostenvergoeding, respectievelijk een wedde en een onkostenvergoeding. Die kan hij niet weigeren en de gemeente is verplicht die vergoeding aan hem te doen toekomen. Betrokkene geeft daarvoor een rekeningnummer op waar de gemeente deze vergoeding zonder enige terughoudendheid op moet storten. Wat hij daar verder mee doet is niet aan de gemeente ter beoordeling.

Aangezien een wedde of onkostenvergoeding aan de persoon in kwestie toekomt, is het beantwoorden van de vraag of een vergoeding via een akte van cessie kan worden overgedragen niet meer relevant.

Fiscaal aspect
Er speelt overigens ook nog een fiscaal aspect mee. De betrokkene moet over zowel de raads- als de onkostenvergoeding belasting betalen, ondanks het feit dat ze hun vergoeding in het geheel overdragen.

De gemeente is verplicht, in het kader van fictief werknemerschap, loonbelasting in te houden. De betrokkene is verplicht inkomstenbelasting te betalen als hij de status van fiscaal zelfstandige heeft.

 


 

WAO-compensatie raadsleden

Voor raadsleden die een WAO-uitkering ontvangen is het met ingang van 1 maart 2006 mogelijk dat zij op basis van een verordening van de raad hun raadsvergoeding kunnen verlagen, zodat een verlaging van de WAO-klasse die uiteindelijk leidt tot een inkomensachteruitgang kan worden voorkomen.

Met deze toevoeging aan artikel 12, derde lid, van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden is uitvoering gegeven aan een motie van het Tweede-Kamerlid Slob.

Anticumulatiebepaling

Voor raadsleden die een WAO-uitkering ontvangen zijn nu twee mogelijkheden om de anticumulatiebepaling in die wet op te vangen. Naast de bovengenoemde voorziening bestaat als vanaf 1994 de regel dat de afschatting die een raadslid ondervindt als gevolg van het genot van de raadsvergoeding niet blijvend is en na afloop van het raadslidmaatschap wordt hersteld op het niveau dat vóór de aanvang van het raadslidmaatschap gold. Wanneer andere omstandigheden tot een andere arbeidsongeschiktheidsklasse hebben geleid, dan zal de ongeschiktheidsklasse administratief opnieuw worden bepaald.

In de voorbeeldverordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden die bij ledenbrief van 17 mei 2006, lbr. 06/85 aan de gemeenten is gezonden, is een artikel opgenomen dat voorziet in de mogelijkheid de raadsvergoeding om deze reden te verlagen.


Vergoeding plaatsvervangende raadsvoorzitters

 

Raadsleden die gedurende een periode van meer dan dertig achtereenvolgende dagen het voorzitterschap van de raad hebben moeten waarnemen wegens ziekte of afwezigheid van de burgemeester, kunnen nu ook een toeslag krijgen.

Met terugwerkende kracht tot en met 7 maart 2002 is in Staatsblad 2006, nr. 8 ook een nieuw artikel 8a van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden opgenomen. Naar aanleiding van een verzoek van de VNG is het mogelijk geworden dat aan raadsleden die gedurende een periode van meer dan dertig achtereenvolgende dagen het voorzitterschap van de raad hebben moeten waarnemen wegens ziekte of afwezigheid van de burgemeester, een toeslag te geven. De toeslag bedraagt 8% over zowel de raadsvergoeding als de onkostenvergoeding en geldt voor de gehele vervangingsperiode.

Fractievoorzitters en commissieleden en -voorzitters
Regelmatig wordt de vraag gesteld of ook aan fractievoorzitters en commissievoorzitters een extra vergoeding mag worden gegeven. Met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2009 is op 22 december 2009 een tweetal nieuwe artikelen opgenomen in het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden.

Fractievoorzitters ontvangen naast de vergoeding voor het raadslidmaatschap een toelage van maximaal 6,4% van de raadsvergoeding op jaarbasis. Deze vergoeding wordt als volgt opgebouwd: een bodem van 1,2% en per fractielid, niet zijnde de fractievergoeding, een vergoeding van 0,4%. Het betreft hier een verplichte toelage waarvoor de burgemeester  stelt vast uit hoeveel leden een fractie bestaat en de duur van het fractievoorzitterschap.

Voor raadsleden die lid zijn van een bijzondere raadscommissie kan de raad besluiten een toelage toe te kennen. Deze bedraagt maximaal 5% van de raadsvergoeding op jaarbasis. Het betreft uitsluitend het lidmaatschap van de vertrouwenscommissie voor de vervulling van de burgemeestersvacature; het lidmaatschap van de rekenkamerfunctie bedoeld in artikel 81oa van de Gemeentewet of het lidmaatschap van een onderzoekscommissie bedoeld in artikel 155a, derde lid, van de Gemeentewet. Ook hiervoor stelt de burgemeester de duur van het lidmaatschap vast. Wanneer de raad besluit deze toelage mogeliojk te maken, moet deze worden opgenomen in de Verordening Rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden.
Voorzitters van een raadscommissie ontvangen voor deze taak geen extra vergoeding. Dat is niet toegestaan en in strijd met artikel 99 van de Gemeentewet.